Op de informatieavond van het Amsterdamse Stadsdeel Oost-Watergraafsmeer doet wethouder Heerema goed zijn best. Hij zet uiteen dat de mobiliteit toeneemt en dat er dat er creatieve oplossingen moeten komen om het autoverkeer niet laten vastlopen. De uitbreiding van de A1/A10 is een alternatief. Het risico is dat er anders economische schade optreedt. De lokale VVD wil dat van harte onderschrijven. Er moet dus iets gebeuren na al die jaren van besluitenloosheid, zo is de boodschap van Heerema (PvdA) en de VVD-ers. Uit hun verhalen begreep ik niet wat er moest gebeuren. Ik hoorde alleen dat er iets moest gebeuren.
Volgens mij zal er niet snel iets gebeuren. Waarom niet? Eenvoudig omdat er nog geen idee is waar het met de mobiliteit in Amsterdam heen moet. Er is geen doel. En als je niet weet waar je heen gaat, kun je ook je reis niet plannen. Meer van hetzelfde, meer asfalt, is natuurlijk geen oplossing. Dat snapt eigenlijk iedereen. Meer asfalt is een doekje tegen het bloeden. Bovendien hebben wij niet eens de ruimte voor meer wegen, tenzij je bereid bent door het natuurgebieden als het Naardermeer te rijden. Dat wil eigenlijk ook niemand. Het gevolg is dat er geen besluiten vallen, wat door Heerema werd uitgelegd als besluiteloosheid.
Volgens mij is het geen besluitenloosheid maar onmacht. Het gaat hier om een filosofisch probleem dat Einstein heeft benoemd: je kunt een probleem vaak niet oplossen binnen de oude uitgangspunten. Wat mogelijk zou kunnen helpen om de nieuwe uitgangspunten te formuleren is een gedachtenexperiment aan de hand van het analyseschema van “niet, anders of minder”.
Niet”: gewoon niet rijden. Zorgen dat vervoer niet mogelijk is of niet gewenst is. Denken over “niet” zal verrassend nieuwe oplossingen bieden. “Niet” betekent dat je naast je werk moet gaan wonen omdat je niet wilt reizen. “Niet” betekent dat je je recreatie zoekt in je directe omgeving in plaats van op een camping buiten de stad. “Niet” betekent dat je geld overhoudt voor andere dingen omdat je minder (mobiliteits-)kosten hebt en minder milieuschade veroorzaakt.
“Anders”: vervoer anders regelen. “Anders” betekent fietsen in Amsterdam. Het betekent ook maximale aandacht voor openbaar vervoer. En wat te denken van goedkope taxi’s op vaste trajecten en snelle busverbindingen. Beiden uiteraard op gas, omdat dat veel uitstoot aan CO2 scheelt.
Minder”: minder vervoer is altijd een idee en goed voor de portemonnee. “Minder” betekent beprijzen via tolheffing waardoor er minder auto’s gaan rijden. Of duurdere parkeertarieven waardoor mensen naar andere alternatieven gaan uitkijken. “Minder” kan ook autodelen met vrienden betekenen. “Minder” spaart altijd geld en milieu.
Er moet een nieuw doel komen. Zonder doel kun je niet reizen. Het nieuwe mobilteitsdoel voor Amsterdam kan zijn om de mobiliteit maximaal te faciliteren binnen de ecologische grenzen. De ecologische grenzen van automobiliteit worden bepaald door ruimtebeslag, milieuvervuiling en energieverbruik. Nieuw is dan ook de erkenning dat deze drie grenzen zijn bereikt. Er is geen ruimte meer, de huidige autotechniek is volstrekt achterhaald en de energie uit olie dreigt op te raken. Amsterdam zou een topstad zijn als het lukt het vervoer maximaal af te wikkelen met de fiets en het openbaar vervoer. Het scheelt heel veel ruimte, het spaart het milieu, is goedkoop en het maakt Amsterdam bestendig tegen een energiecrisis.
Ik hoop dat onze wethouders de mobiliteit gaan plannen zoals zij dat met hun vakantie kunnen doen. Bedenk eens iets heel anders, zoals Einstein voorstelt. Bedenk vervolgens waar je heen gaat en beslis dan hoe en wanneer. Zorg wel voor een duidelijk doel want zonder doel kun je niet reizen.
Tim Stok
www.timstok.nl